Interview

Winst voor onderwijskundige doelen door het gebruik van LEGO

Menno Kolk

“Meester, mag ik LEGO gebruiken om deze opdracht te doen?” Menno Kolk, meester groep 5-6 op De Flambouw in Nigtevecht en bovenschools onderwijskundig ICT’er, hoort deze vraag regelmatig. Zijn enthousiasme voor LEGO Mindstorms - of beter gezegd: een andere manier van lesgeven - steekt hij niet onder stoelen of banken; zijn kennis en inzichten deelt hij graag. “Uitdaging is belangrijk voor kinderen en voor leerkrachten. Daarom nodig ik iedereen uit om creatiever om te gaan met lesdoelen en leersituaties in te richten als een spelsituatie. De resultaten zullen je verrassen!”

Naast leerkracht ben je bovenschools onderwijskundig ICT’er. Hoe vul je die rol in?
"Een aantal jaren geleden kwam er een vernieuwingsslag binnen onze scholenvereniging Vechtstreek en Venen. Onderdeel daarvan was een aanbesteding rondom ICT, waarin ik een rol mocht vervullen. We hebben de afgelopen jaren ingezet op de ontwikkeling van de aanwezigheid van middelen naar het bewust inzetten van devices bij het onderwijskundig doel van lessen. Ook zijn we de Google omgeving, waaronder Google Drive, steeds meer gaan gebruiken. Dat hebben we bewust niet in één keer gedaan, want dat frustreert. Zo kijk ik ook tegen mijn functie als bovenschools ICT’er aan. Je hebt continu te maken met verandering, vernieuwing en ontwikkeling en het is mijn missie om iedereen daarin mee te krijgen.”

Hoe doe je dat, mensen meekrijgen?
“Ontwikkelingen zijn er niet van de ene op de andere dag, dat geldt voor het proces net zo. We hebben een meerjarenplan dat de koers aangeeft. Dat steek ik in via de leidinggevenden en via de onderwijskundig ICT’ers op de scholen. Ik neem hen daarin mee of zij nemen zelf initiatief om de ontwikkeling te implementeren op hun eigen school en binnen de vereniging. Het leuke is dat je dan verschillen ziet: de ene school doet het snel en zelf, de ander moet je helpen. Mijn aanpak bestaat uit het bepalen van korte mijlpalen, we zetten steeds kleine stappen om kleine doelen te bereiken. Om zo uiteindelijk te groeien naar de gewenste situatie. Kortom: we hebben een visie, kijken waar we naartoe gaan en werken daar langzaam naartoe. Daarbij leren we van en met elkaar. Ik kan me niet voorstellen dat we als scholen apart het wiel gaan uitvinden.”

Hoe is leren met ICT opgenomen in jullie visie en hoe borg je dit?
“We hebben een visie op 21e-eeuws leren die we destijds tegelijkertijd met het bovenschoolse meerjarenplan geschreven hebben. De kern van die visie is dat we kinderen onderwijs op maat willen bieden met 21e-eeuwse middelen. De onderwijskundig ICT’ er maakt ieder jaar een jaarplan met resultatenschema voor komend jaar. Dit is op schoolniveau. Aan het einde van het jaar wordt bekeken of de doelen behaald zijn en wat het komende jaar de focus heeft. Zo ontstaat een organische ontwikkeling, die parallel loopt met de ontwikkelingen binnen het onderwijs en de wereld om ons heen.

We hebben overigens wel de discussie gevoerd over wat we op verenigingsniveau en wat we op schoolniveau doen. Je kunt het zien als een menukaart: wat we gaan eten staat vast, maar wat je gaat drinken mag je zelf bepalen. Sommige keuzes móeten bovenschools genomen worden, bijvoorbeeld over hardware, scholing en een visie op 21e eeuws leren. Daardoor worden scholen ondersteund in het kiezen en gemakkelijk beheren van hardware, kunnen leerkrachten gerichter en beter geholpen worden met scholing en blijven alle scholen in ontwikkeling op het gebied van 21e eeuws leren, ook al zijn er wisselingen van leerkrachten tussen scholen. De keuzes die bovenschools genomen worden moeten vervolgens gedragen worden door leidinggevenden en de onderwijskundig ICT’ers. Daarin ligt een rol voor mij, om hen mee te nemen in dit proces.”

Hoe kijk je aan tegen de 21e-eeuwse vaardigheden?
“Ik geloof echt dat de juiste inzet van ICT bijdraagt aan meer efficiency. Daarnaast vind ik ICT écht heel leuk, het zit gewoon in me. Ik hou ontwikkelingen bij en ben daar enthousiast over. Als ik kijk naar de vier vaardigheden van digitale geletterdheid, zit er een verschil in focus afhankelijk van mijn rol. Vanuit mijn bovenschoolse functie om digitale geletterdheid te laten slagen, ligt de focus op ICT-basisvaardigheden en een stukje op computational thinking. In de klas ben ik vooral bezig met computational thinking, met programmeren en het juist verwerken van informatie met behulp van ICT. De onderwijskundig ICT’ers op de scholen pakken mediawijsheid en ICT-basisvaardigheden goed op, maar computational thinking is nog wel uitdaging: de basiskennis van de leerkrachten over dit onderdeel verschilt nogal van leraar tot leraar. Er is geregeld nog schroom als het gaat om het leren programmeren vanwege het gevoel van incompetentie over computational thinking. Het helpt wanneer leerkrachten echt gepassioneerd zijn over het onderwerp programmeren in de klas. Daarnaast zijn de materialen uiteraard een uitdaging: ze zijn duur. Vandaar dat wij een uitleenschool hebben met materialen die betrekking hebben op programmeren.”

Er wordt hard gewerkt aan het nieuwe curriculum. Wat vind jij: moet digitale geletterdheid een plek krijgen binnen andere leergebieden of als een apart vak gezien worden?
“Digitale geletterdheid en met name informatievaardigheden komen in veel vakken terug, dus vaak zijn we al les- en vakoverstijgend bezig. Tegelijkertijd blijft aandacht voor ICT-basisvaardigheden erg belangrijk: ik heb regelmatig kinderen in de klas die nog moeten leren om in te loggen op een computer of die niet weten hoe bestanden op te slaan. Ook computational thinking komt niet vanzelfsprekend in andere vakken terug. In Nederland is nog niet iedereen zover. Daarom zal het mogelijk apart aangevlogen worden. Dat is naar mijn mening niet de beste manier, want er is zoveel meer mogelijk als je het geïntegreerd aanvliegt. We gaan het zien.”

Je gaf aan dat je in de klas volop bezig bent met computational thinking. Hoe doe je dat?
“We hebben onder andere een Makerspace, een 3D printer en gebruiken LEGO Mindstorms: een programmeerbare robotbouwset waarmee je je eigen LEGO robots kunt bouwen, programmeren en besturen. Daar ben ik weg van. Kinderen zijn hands-on bezig en maken iets wat ook nog iets kan gaan doen. De toepassing is eindeloos. Zo heb ik voor de zomervakantie een novel engineering les gegeven, een aanpak waarbij bouwen en literatuur verweven worden. Ik las een aantal pagina’s uit het boek De waanzinnige boomhut voor. In dit boek beleven de vrienden Andy en Terry de gekste avonturen in hun boomhut. In het fragment dat ik voorlas aan mijn klas, werd de boomhut overspoeld met apen die de boel flink op stelten zetten. Ik vroeg de leerlingen om manieren om dit op te lossen met LEGO. De een bouwt dan iets na wat hij elders gezien heeft, de ander denkt na over actie-reactie en gaat dan zelf bouwen en programmeren. Deze aanpak legt zoveel meer bruggen dan andere middelen. Er zitten 21e-eeuwse vaardigheden zoals samenwerken, creatief denken en computational thinking in, maar ook taal. Daarmee draagt de inzet van LEGO bij aan het onderwijskundige doel van basisvakken.”

Zeg je daarmee dat iedereen zou moeten starten met LEGO in de klas?
“Dat is wat kort door de bocht. Wat ik wél heel belangrijk vind is zoeken naar uitdaging en aansluiten bij de leefwereld van kinderen. Op het moment dat we hen uit willen dagen, doen we dat niet door elke dag dezelfde les te geven. Bovendien: daag je jezelf als leerkracht dan nog wel voldoende uit? Daarom zou ik iedereen willen adviseren om elke week één les op een andere manier te geven. Dat is heel behapbaar. Daarover nadenken houdt je creatief en daagt je uit. En dat is voor leerlingen niet anders.

Ik heb geen toets gedaan of resultaten beter zijn door het gebruik van LEGO. Maar tijdens het filmen zag ik een kind uit mijn klas, dat normaal op een lager niveau rekent, samenwerken met andere kinderen. Ik durf echt te zeggen dat hij heel concreet aan de slag was met een doel uit het curriculum, namelijk kennis maken met breuken. Andere kinderen legden tijdens het werken met LEGO zelf de parallel tussen breuken en procenten. Als een bouwwerk 144 blokjes heeft, waarvan er 20 rood zijn, dan snappen zij dat 20/144 rood is. Toen gingen ze zelf het verband leggen naar procenten: “20% is rood”. Zij krijgen een waardevol inzicht en ik kan hiermee een bruggetje maken naar de uitleg over procenten. Dat is winst voor het onderwijskundig proces en dat zie je niet als je alleen met methodes werkt.”

Niet elke leerkracht is op deze manier bezig met digitale geletterdheid en de toepassingen van digitale leermiddelen. Hoe zorg jij voor een andere mindset als mensen vastzitten of niet weten hoe te beginnen?
“Ik probeer rustig, benaderbaar en behulpzaam te zijn. Ik zorg ervoor dat een collega op elk moment met elke vraag bij me terecht kan. Het is voor iemand die het zelf lastig of niet belangrijk vindt, maar wel ziet dat het belangrijk gevonden wordt, heel moeilijk om de drempel over te gaan om een vraag te stellen. Dat kost tijd. Als iemand naar me toekomt zie ik dat als winst en probeer ik als coach of supporter op te treden. Dat geef ik andere onderwijskundig ICT’ers ook mee: juich die vragen toe. Dat is nodig als je het wilt laten groeien. In elk geval ga ik altijd het gesprek aan met collega’s over hun visie op de inzet van digitale leermiddelen en luister ik naar hun argumenten. Vaak komen dan verschillende hulpvragen naar voren. Zoals het uit kunnen voeren van digitale (basis)vaardigheden. Over de principes heb ik het graag met mijn collega’s. Kinderen komen in deze tijd veel in aanraking met (sociale) media en digitale middelen, zeker buiten school. Het is onze taak om kinderen vaardig(er) en bekender te maken met deze middelen en kinderen hiermee te helpen.”

Wat vraagt dit van een bestuurder?
“Een bestuurder hoeft de inhoud niet te kennen, maar moet ontwikkelen met ICT een warm hart toedragen en faciliteren in tijd, geld, mogelijkheden en personen. Denk ook aan het faciliteren van een ruimte voor een training of het onderwerp op de agenda van een studiedag zetten. Wat ik mooi zou vinden is als binnen elk bestuur iemand de mogelijkheid krijgt om aan de slag te gaan met middelen zoals LEGO. Binnen onze schoolvereniging hebben we een bestuurder gehad die het heel belangrijk vond en ging investeren in ICT. En toen kwam ik om de hoek voor de inhoud. Die bestuurder heeft gedaan wat ik nu opper: ruimte geven en vertrouwen op expertise. Aan mij de taak om te laten wat ik doe, waarom ik het doe en hoe ik het doe. En dat te delen samen met collega’s en de andere scholen.”

Je won de LEGO Education Award en mocht naar een symposium in Boston. Wat heeft dat jou gebracht en wat kunnen anderen ervan leren?
“Mijn instelling om elke week op een andere manier les te geven is daar ontstaan. Ik heb gekozen voor LEGO, een ander kan natuurlijk ergens anders voor kiezen. De juiste keuzes maken met betrekking tot leermiddelen om te voldoen aan de lesdoelen is belangrijk. Er zijn vaak zoveel verschillende mogelijkheden om de lessen met materialen naar een concreter niveau van leren te krijgen. Dit geeft het lesdoel en het leren meer betekenis, maakt het leren afwisselend en daagt leerlingen en leerkrachten uit. Belangrijk is dan wel dat je kennis hebt van het curriculum, de leerlijnen en de bijbehorende tussendoelen.

Tijdens het symposium heb ik enorm veel kennis en inspiratie opgedaan. Daar heb ik verschillende blogs over geschreven. De komende tijd ga ik het in stukjes hakken en meer korte artikelen delen via www.mennokolk.nl/lego, om zo die kennis te delen en anderen te inspireren. Ik hoop dat mensen na het lezen van dit artikel geprikkeld worden om leersituaties meer als spelsituatie in te richten. Ik ben ervan overtuigd dat je hierdoor meer eigenschap over het leerproces bij een kind creëert. Dat willen we allemaal, toch?”