Artikel

Samenwerken via model van zes bouwstenen

In Den Bosch werken basisscholen, educatieve partners en de gemeente intensief samen. Met het idee om leeractiviteiten uit de lesmethodes (deels) te vervangen door projectmatig werken. De samenwerking krijgt gestalte via een model van zes bouwstenen. Daarbij geldt dat de ene bouwsteen niet zonder de andere kan.

Er zijn scholen die complete lesmethodes inruilen voor projectonderwijs. Andere scholen willen alleen bepaalde onderdelen van hun methodes vervangen. Voor elke situatie geldt dat scholen en educatieve partners nauw optrekken. 

Kans op succes groter door model

Als alle partijen snappen waar de zes elementen in het model voor staan, de onderlinge relatie begrijpen én zich committeren aan alle bouwstenen, dan is de kans op succes het grootst. Dit inzicht is verkregen in het inmiddels landelijk bekende project Bibliotheek op School.  ATO-Scholenkring – de initiatiefnemer van de versnellingsvraag die hier aan toe heeft bijgedragen – heeft de opgedane ervaring met Bibliotheek op School verwerkt in het huidige model, dat de volgende zes bouwstenen kent. 

De zes bouwstenen

1. Opleiden en organiseren 

Projectonderwijs zoals Den Bosch dat voor ogen heeft, betekent een professionaliseringsslag. Zowel in het onderwijs, als bij de educatieve partners. Om de plannen waar te maken, moeten medewerkers van alle organisaties in het verhaal worden meegenomen. Dat betekent dat er geld en tijd moet worden vrijgemaakt om met en van elkaar te kunnen leren. Binnen een duidelijke organisatie, waarin verantwoordelijkheden zijn vastgelegd.

2. Leerlijnen en metadateren

De stip op de horizon is een instrument – een gebruiksvriendelijke database – waarin vraag en aanbod samenkomen: waar de leerlijnen van de school en het aanbod van leermateriaal van educatieve partners aan elkaar gekoppeld worden. Door te werken aan de versnellingsvraag geeft ATO-Scholenkring invulling aan deze bouwsteen. Zowel de scholen als de partners zijn momenteel druk bezig met het (handmatig) metadateren van al het beschikbaar lesmateriaal.

3. Onderzoek en ontwikkeling 

Alle betrokken partijen hebben verwachtingen van het nieuwe projectonderwijs. Zo heeft ATO-Scholenkring als doel dat kinderen zichzelf en hun talenten optimaal kunnen ontwikkelen. Door nauw samen te werken met de educatieve partners hoopt de onderwijsorganisatie de talentontwikkeling van leerlingen een extra stimulans te geven. Om te kijken of dit in de praktijk ook zo uitpakt, is onderzoek nodig. In eerste instantie kwalitatief (hoe denken de kinderen, de ouders en de leerkrachten erover?), maar op termijn ook kwantitatief (wat zijn de leeropbrengsten?).

4. Planning en logistiek 

Scholen maken een jaarplanning. Educatieve partners haken daarop aan en plannen ook een jaar vooruit. Zo wordt voorkomen dat een relatief laat georganiseerd educatief project in geen enkele schooljaarplanning past. Een goede en breed gedragen planning en logistiek brengen bovendien zaken in beweging. Dat betekent ook dat iemand de continuïteit in de planning bewaakt en het projectmanagement op zich neemt.

5. Financiën

Het moet duidelijk zijn wat het realiseren van het projectonderwijs vraagt van alle betrokkenen aan middelen. Niet alleen bij de start, maar ook als de pilot wordt omgezet in een structurele regeling.

6. Netwerk en beleid 

Als partijen hun lokale en bovenlokale netwerken activeren om het projectonderwijs te omarmen, krijgt dit een stevigere positie. En wordt zo voorkomen dat het initiatief verzandt na een enthousiaste start. Daarnaast wordt van alle betrokkenen verwacht dat zij het projectonderwijs verankeren in hun beleid. Ook dit helpt om projectonderwijs in deze vorm voor de toekomst te borgen.